De gratis terbeschikkingstelling van een (vakantie)woning of appartement door een vennootschap aan haar bedrijfsleider is en blijft een interessante fiscale optimalisatietechniek. Deze wordt echter met argusogen bekeken door de fiscus.
De discussie draait steeds om de vraag of de kosten met betrekking tot de woning in hoofde van de vennootschap kunnen worden beschouwd als fiscaal aftrekbare beroepskosten.
1. Waar gaat het over?
Om te bewijzen dat de kosten met betrekking tot de woning in hoofde van de vennootschap beschouwd kunnen worden als een fiscaal aftrekbare beroepskost, moet de vennootschap in het bijzonder aantonen dat de kosten werden gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden (de zogenaamde finaliteitsvoorwaarde).
In grote lijnen worden in dit verband twee argumenten ingeroepen : enerzijds de bezoldigingstheorie en anderzijds de meerwaardetheorie (in het bijzonder voor onroerende goederen die in volle eigendom worden aangekocht door de vennootschap).