Inleiding
Het fiscaal recht kent heel wat regels, die er op eerste zicht eenvoudig lijken. Niet zelden blijkt het te gaan om topjes van ijsbergen onder het wateroppervlak.
Twee van dergelijke regels komen de afgelopen jaren steeds meer in het vizier:
1. Artikel 126 § 1 WIB/92: “In geval van huwelijk of wettelijke samenwoning wordt een gemeenschappelijke aanslag op naam van de beide echtgenoten gevestigd. Deze gemeenschappelijke aanslag belet niet dat het belastbaar inkomen van elke echtgenoot afzonderlijk wordt vastgesteld.”
2. Artikel 2 § 1, 1° d) derde lid WIB/92: “Voor gehuwden, die zich niet in één van de in artikel 126 § 2 vermelde gevallen wordt de belastingwoonplaats bepaald door de plaats waar het gezin gevestigd is.” Dit is een onweerlegbaar wettelijk vermoeden.
Uit deze twee artikelen leiden we af dat in de personenbelasting de gezamenlijke taxatie de normale gang van zaken is bij gehuwden en wettelijk samenwonenden. Slechts in enkele beperkte uitzonderlijke gevallen is er sprake van een afzonderlijke aanslag. Hoewel het principe van gezamenlijke taxatie voor de meeste Belgen als evidentie wordt aanzien, blijkt dit in wezen niet echt het geval te zijn in vergelijking tot andere landen. Immers de meeste andere Westerse belastingsystemen voorzien in een afzonderlijke taxatie van echtgenoten/partners dan wel in een keuzestelsel, waarbij de belastingplichtigen zelf autonoom mogen kiezen of ze afzonderlijk dan wel gezamenlijk worden belast. Onze wetgeving is hier eerder een buitenbeentje.